Nieuwsbrief september 2018

Omzetbelasting over liggeld

Het liggeld voor uw bootje is vaak een kostbare zaak. En dat zou nog wel eens veel duurder kunnen worden! De Hoge Raad heeft namelijk bepaald dat op ligplaatsen voor zeilboten en snelle motorboten in een jachthaven het hoge btw-tarief van 21% van toepassing is. Watersportverenigingen hadden eerder – met succes – bepleit dat op liggelden het verlaagde btwtarief van 6% van toepassing is, omdat het ter beschikking stellen van een dergelijke ligplaats moet worden aangemerkt als ‘het geven van gelegenheid tot sportbeoefening’.

De Hoge Raad was het daar niet mee eens. Het gaat volgens de Hoge Raad namelijk enkel om ‘dienstverlening die bestemd en nodig is voor  daadwerkelijke sportbeoefening’. En daar valt de verhuur van ligplaatsen helaas niet onder. Het is goed mogelijk dat door de beperkte reikwijdte van het verlaagd tarief voor het geven van gelegenheid tot sportbeoefening de fiscus zich ook in vergelijkbare situaties op het standpunt zal stellen dat voortaan (en wellicht ook met terugwerkende kracht) het algemene tarief toegepast dient te worden

Airbnb-inkomsten belast?

In korte tijd is Airbnb groot geworden. Erg groot zelfs. En niet alleen in Amsterdam. Pas geleden nog werd bekend dat de hotels in Maastricht veel last hebben van dit fenomeen, omdat hun bezettingsgraad onder druk zou staan. Het verwijt van oneerlijke concurrentie is dan snel gemaakt.

Zoals bijna alles in het leven heeft Airbnb ook fiscale consequenties. En die zijn lang niet altijd helder, mede omdat het vaak de eigen woning is die op deze manier wordt verhuurd. Het is daarom plezierig dat over dit fenomeen onlangs Kamervragen zijn gesteld. De aanleiding daarvoor was een uitspraak van de belastingrechter over de fiscale gevolgen van het verhuren van een tuinhuis. De rechter was het met belastingplichtigen eens dat art. 3.113 Wet IB 2001 (dat de huurinkomsten uit de eigen woning belast) alleen van toepassing is als de hele woning wordt verhuurd. Als slechts een deel van de woning wordt verhuurd (in het berechte geval: het tuinhuis) blijven de huurinkomsten onbelast.

Geen naheffing bij verhoging btw-tarief

Het lage tarief van 6% in de btw zal met ingang van 1 januari 2019 worden verhoogd naar 9%. Deze maatregel is enige tijd geleden opgenomen in het regeerakkoord. En zoals bij iedere mutatie in het btw-tarief ontstaan er problemen met vooruitbetaalde bedragen en met doorlopende prestaties, zoals abonnementen.

Het kabinet heeft bij monde van staatssecretaris Snel al aangekondigd ondernemers niet te willen lastigvallen met extra administratieve lasten als gevolg van deze tariefsverhoging. Daarom zal de Belastingdienst niet gaan naheffen op in 2018 betaalde prestaties die pas in 2019 gaan plaatsvinden. Gedacht kan worden aan kaartjes voor concerten of sportevenementen die al in 2018 worden betaald, maar die pas in 2019 plaatsvinden.

Hoeveel waarde heeft het betalingskenmerk?

Het komt met grote regelmaat voor. Belastingplichtigen die weliswaar het juiste bedrag van hun belastingaanslag betalen, maar de betaling van een verkeerd kenmerk voorzien. Logisch, want in zo’n lange cijferreeks als het kenmerk is, zijn twee getalletjes zo omgewisseld. Dat de administratie van de Belastingdienst hierdoor ontregeld raakt mag duidelijk zijn; voordat je het weet spuugt de computer naheffingsaanslagen met een verzuimboete uit. Meestal wordt dat snel weer hersteld, en gaan naheffing en boete – mits de aanslag tijdig en tot een correct bedrag is betaald – weer van tafel.

Toen in een geval als hiervoor beschreven wel de naheffing maar niet de boete van tafel ging, maakte belanghebbende daartegen bezwaar. Daarbij werd ook om een vergoeding voor het ingediende bezwaar verzocht. De boete ging inderdaad van tafel, maar de vergoeding bleef uit. Ten onrechte, aldus de rechter. Het op verzoek moeten terugdraaien van naheffingsaanslag en boete in geval van vermelding van een verkeerd kenmerk kan nog zonder vergoeding gepaard gaan. Als in zo’n geval de boete niet direct – maar pas na gemaakt bezwaar – wordt teruggegeven, is een kostenvergoeding in de bezwaarfase wel degelijk op zijn plaats.

Lager gebruikelijk loon door oogklachten

Een DGA verrichtte – uiteraard door tussenkomst van zijn BV-werkzaamheden in ‘de financiële en administratieve hoek’. Vanaf 2010 ontwikkelden zich bij de DGA ernstige oogklachten, waardoor hij met ingang van januari 2012 volledig arbeidsongeschiktheid werd verklaard. De DGA kende zichzelf voor zijn werkzaamheden over 2011 een – bescheiden – salaris toe van € 16.592.

Bij de BV werd later een boekenonderzoek ingesteld, als gevolg waarvan de inspecteur een naheffingsaanslag loonbelasting oplegde. De fiscus was van mening dat een zakelijk salaris voor deze DGA ten minste € 41.000 diende te bedragen. Daar was de rechter het echter niet mee eens. De BV had aannemelijk weten te maken dat haar DGA in 2011 slechts in deeltijd werkzaamheden had verricht, die dan ook nog eens noodgedwongen van eenvoudige aard waren. Onder deze omstandigheden achtte de rechtbank een gebruikelijk loon van € 16.000 – rekening houdend met een deeltijdfactor – aannemelijk voor een soortgelijke dienstbetrekking. Het opgenomen salaris was derhalve voldoende, zodat er geen ruimte was voor een naheffingsaanslag.

Geen belastingrente over periode dat
voorlopige aanslag al betaald is

Belastingrente is een omstreden fenomeen. Dat heeft een aantal oorzaken, maar de voornaamste reden voor alle irritatie lijkt het feit te zijn dat het in rekening gebrachte bedrag weinig meer met de (economische) werkelijkheid van doen heeft. Zo kreeg onlangs een BV voor haar verlengde eerste boekjaar een voorlopige aanslag  vennootschapsbelasting van € 13.000. Dat bedrag werd betaald.

Enige tijd later werd de voorlopige aanslag teruggebracht naar € 0. Het eerder betaalde bedrag werd verrekend met de later opgelegde definitieve aanslag. Deze aanslag bedroeg € 15.690, en over dit hele bedrag werd belastingrente berekend. Partijen procedeerden vervolgens over de vraag of de beschikking belastingrente naar een juist bedrag was vastgesteld. De rechter overwoog dat de Inspecteur bij het berekenen van de belastingrente ten onrechte geen rekening had gehouden met het reeds eerder betaalde bedrag van € 13.000. De wet voorziet niet in de geschetste situatie. Op grond van een redelijke wetstoepassing kwam de rechter daarop tot de conclusie dat geen belastingrente berekend dient te worden over een periode dat het verschuldigde belasting reeds aan de Belastingdienst is betaald.

Inloggen boekhouding