Nieuwsbrief juli 2018

Reparatiewetgeving fiscale eenheid onuitvoerbaar

De fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting
blijft de gemoederen beroeren. Als gevolg van een recent arrest van het Europese Hof van Justitie zouden door middel van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting uit het buitenland afkomstige rentelasten in aftrek gebracht kunnen worden bij de Nederlandse moedermaatschappij. 

Om dat te voorkomen heeft het ministerie van Financiën met terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017 een spoedreparatiemaatregel aangekondigd. Voor deze spoedmaatregel is nu een wetsvoorstel ingediend, met beoogde invoerdatum 1 januari 2019. Het gevolg van deze spoedmaatregel is dat in alle gevallen de rente niet meer in Nederland aftrekbaar zal zijn. Van dit wetsvoorstel heeft de Belastingdienst aangegeven dat het – gedeeltelijk – niet uitvoerbaar is, terwijl voor andere onderdelen van de wet de uitvoering ‘problematisch’ zal zijn. 

Gelet op de bestaande problemen bij de fiscus zal aan zo’n kwalificatie door staatssecretaris Menno Snel van Financiën en de Tweede Kamer niet licht voorbij gegaan kunnen worden. De pijn zit volgens de fiscus met name in de verplichting die de nieuwe wet bij bedrijven legt om zelf na te gaan of ze onder de nieuwe renteaftrekbeperkingen vallen. Omdat dit onbekend terrein is zullen veel bedrijven (terecht!) om vooroverleg vragen, en men ziet bij de fiscus nu al aankomen dat men aan al die verzoeken niet kan voldoen. Maar dat is nog niet alles. Ook het toezicht op de nieuwe renteaftrekbeperkingen is ‘bijzonder lastig en tijdrovend’, volgens de toch al overbelaste Belastingdienst.

Vennoot of toch werknemer? 

Een vennootschap onder firma (VOF) telde maar liefst zestig vennoten. Eén vennoot was de baas (‘verrichtte de dagelijkse leiding’), een andere vennoot beschikte over de vereiste papieren (‘vakbekwaamheid beroepsgoederenvervoer’). De overige vennoten werkten als chauffeur. Op zich een respectabel beroep, maar geen vak dat in dit soort verhoudingen als zelfstandig ondernemer
wordt beoefend.

 Opmerkelijk genoeg had de Belastingdienst in 2007 met deze opzet ingestemd. Enkele jaren later, in 2013, kwam men daarvan terug. Vanaf dat jaar waren de chauffeurs volgens de fiscus gewoon in loondienst. De VOF ging daarmee niet akkoord en enkele jaren later werden naheffingsaanslagen loonheffingen over 2013 en 2014 opgelegd. Daarover werd geprocedeerd. In eerste instantie had de VOF nog succes, maar het hof was op de hand van de fiscus. Doorslaggevend daarbij was het ontbreken van de voor het bestaan van een VOF vereiste ‘basis van een zekere mate van gelijkwaardigheid’. De VOF miste voldoende realiteitsgehalte, reden om te spreken van een schijnconstructie. De VOF werd door het hof aangemerkt als een fictieve dienstbetrekking, omdat de chauffeurs door tussenkomst van de VOF arbeid hadden verricht ten behoeve van derden.

Bitcoins

Net nadat de rust weer een beetje was teruggekeerd op het bitcoin-front was er ineens weer veel (politieke) belangstelling voor dit fenomeen. Zo wilde de Tweede Kamer dat er een wetgeving komt voor de regulering van cryptobeursgangen, ook bekend als initial coin offering (ICO). Bij een ICO ruilen beleggers bekende digitale ’valuta’s (zoals de bitcoin of ethereum) om voor een nieuwe digitale munt, uiteraard in de hoop op verdere koersstijgingen. Het Financieele Dagblad wist te melden dat er vorig jaar maar liefst ruim 200 nieuwe cryptomunten gelanceerd zijn, waarmee een bedrag van bijna $ 3,9 miljard werd opgehaald. De ICO is de kinderschoenen inmiddels dus ruimschoots ontgroeid. Belangrijker dan dit onderwerp is de brief van de minister Hoekstra van Financiën (Appreciatie ontwikkelingen cryptovaluta, kenmerk 2018-0000033278) aan de Tweede Kamer, gevolgd door een brief aan de Eerste Kamer van zijn staatssecretaris Snel, waarin de minister resp. staatssecretaris de huidige stand van zaken op dit terrein bespreken (brief van 28 mei 2018, 2018-0000082316). 

In de brief wordt onder meer aandacht besteed aan;

  • het zogenoemde ‘minen’ en het handelen in cryptovaluta door een natuurlijk persoon;
  • fiscale gevolgen als een ib-ondernemer of een bv die goederen verkoopt of diensten verleent waarbij de tegenprestatie in cryptovaluta wordt voldaan;
    loonbetaling in cryptovaluta;
  • vermogensetikettering bij de ib-ondernemer;
  • cryptovaluta als vermogensbestanddeel in box 3 aan de orde;
  • handhaving.

De staatssecretaris komt bij dit alles tot weinig  verrassende maar desalniettemin juiste antwoorden.

Nieuwe meldplicht belastingadviseurs vanaf 2020

Belastingadviseurs (en verder iedereen die over
belastingen adviseert) moeten vanaf 2020 op grond
van EU-voorschriften informatie over grensoverschrijdende
belastingbesparende transacties gaan melden bij de nationale belastingdienst. De fiscus op zijn beurt deelt die informatie dan weer met zijn buitenlandse collega-organisaties. Niet alles
hoeft gemeld te worden; hetgeen gemeld moet worden zal moeten voldoen aan bepaalde kenmerken, die duiden op – in de ogen van de fiscus – ongewenste fiscale planning.

Proefprocedures btw privégebruik auto’s sterven stille dood

De laatste jaren is er veel geprocedeerd over de correctie wegens privégebruik van personenauto’s die deel uitmaken

 van een ondernemingsvermogen. Nadat de rechter de fiscus (nagenoeg) volledig in het gelijk had gesteld restte er nog éénstrohalmpje voor ondernemers die konden bewijzen
dat het gebruik van de forfaitaire regeling ertoe had geleid dat de ondernemer meer btw had betaald dan de btw over de aan het privégebruik toe te rekenen (werkelijke) uitgaven. En nu is ook dat laatste halmpje gebroken. Belastingplichtigen
die een beroep deden op deze uitzondering werd een termijn van 6 weken gegund om met nadere gegevens te komen. Dat moest dan geschieden met een formulier van de Belastingdienst, dat men na invulling moest toezenden aan de Belastingdienst in Heerlen. Van de twee miljoen (!) ingezonden bezwaarschriften brachten maar liefst 2.000 stuks het zover. En nu is duidelijk geworden dat alle verzoeken zijn afgewezen. En
daarmee is ook dit fiscale avontuur ten einde.

Zwangerschapsuitkering voor ZZP’er

Zzp’ers die bevallen zijn tussen 7 mei 2005 en 3 juni 2008 hebben mogelijk recht op een zwangerschapsuitkering. Het gaat niet om een enkel gevalletje: naar schatting kunnen maar liefst 20.000 dames op de uitkering aanspraak maken. Eerder kon de betreffende groep als gevolg van een wetswijziging geen aanspraak maken op een uitkering. Men viel – wat uit de exacte afbakening van de periode ook blijkt – tussen wal en schip. Deze ongerijmdheid werd vorig jaar gerepareerd door de Centrale Raad van Beroep, waardoor alsnog aanspraak gemaakt kan worden op
een uitkering bij zwangerschap. 

Naar verwachting zal het bedrag van de uitkering ongeveer € 5.600 bruto per persoon bedragen, en vanaf 1 januari 2019 worden uitbetaald. Let er op dat de compensatie meetelt bij het inkomen en dus gevolgen kan hebben voor toeslagen, zoals zorgen huurtoeslag. De compensatie kan sinds 15 mei 2018 worden aangevraagd via de website van het UWV. Aanvragen is mogelijk tot 1 oktober 2018. Latere aanvragen worden door het UWV niet meer in behandeling genomen.

Inloggen boekhouding